1. De poëzie die we creëren, is politiek in de zin van een duidelijke onderscheiding tussen vriend en vijand. Op het moment van het vormen van onze groep dichters zijn onze absolute en onverzoenlijke vijanden a) de lifestyle literatuur in alle vormen en maten b) de literatuur die parasiteert op de universitaire infrastructuur, zoals c) commercieel georiënteerde pogingen voor hybride incest tussen het bovengenoemde in a) en b).

1.1. Onder lifestyle literatuur begrijpen wij een door de mechanismen van vraag en aanbod gecontroleerd product, waarbij de auteur min of meer bewust probeert aan behoeftes te voldoen, gecreeërd door een consumentgeoriënteerde zelfcultuur, met andere woorden de fatamorgana dat wij onszelf uit consumentenproducten en dienstverleningen kunnen scheppen. Het auteursmoment bij de op deze manier ontstonden producten bedorven en gereduceerd door verwachtingen, waarvan de bevrediging ontkenning betekent van de esthetische en vaak ook ethische autonomie van het producerende subject. In deze zin kan de lifestyle literatuur worden gezien als een commercieel equivalent van het postmoderne concept over  “de dood van de auteur” dat in dit soort literatuur ook voorkomt, en beschaamd het “hoge” universitaire postmodernisme bijwoont.

1.2. Beide partners – de lifestyle literatuur aan de ene kant en het academische postmodernisme aan de andere hebben genoeg redenen zich stemloos zowel voor elkaar alsook voor de lezers te schamen. Maar in een gevoeligere positie is de door het postmodernisme geïnspireerde literatuur die parasiteert op de universitaire infrastructuur. Ondanks het theoretische alibi over de vereffening van “subliem” en “laag”, de hogere partner in het paar kan zich niet afhelpen van resten van zijn schuldig geweten, in het bijzonder als deze op de in het westerse academisme actuele linkse discoursen moet rekenen. Tenslotte – ook als de retoriek links is – gaat de meer theorethisch ingestelde partner eigenlijk over naar karakteristieke voor de beoordeling van de lifestyle productie neoliberale marktlegitimaties: “de meest verkochte Bulgaarse schrijver”, “de meest in het buitenland uitgegeven Bulgaarse schrijver” en andere soortgelijke ranglijsten van het commerciële succes. Het is een andere kwestie in hoeverre dit succes inderdaad commercieel is of het gebaseerd  is op de voor de Bulgaarse samenleving gebruikelijke oligarchische samensmelting van privé interesses en geprivatiseerde hulpbronnen van de staat en de maatschappij.

1.3. Onder “de literatuur, parasiterend op de universitaire infrastructuur” begrijpen wij, ondanks de connotatie van het woord “parasiterend”, vooral (en niet pejoratief) het socio-culturele gegeven van de economische noodzakelijkheid voor de auteur te rekenen op lage, maar relatief zekere inkomens in de vorm van een docentensalaris (of een doctorandusbeurs), wat geen dagelijkse achturige werkdag vereist. Als je niet bereid bent in praktijk jouw geschreven werk en jezelf als schrijvende persoon te verkopen, is het werk aan een universiteit een legitieme en keurige keuze voor het schrijvende individu. Het onacceptabele parasitieve moment komt in beeld en blijft volharden, als de universitaire infrastructuur (kosteloze beschikking over ruimtes, toegang tot media en jury’s door de academische kwalificaties en titels, tenslotte de werving van publiek van studenten, aan wie je les geeft en de kennis van wie je zelfs straks ook moet examineren) wordt gebruikt voor het vervormen van het concurrerende literaire veld ten vordele van universitaire docenten die tegelijkertijd ook als dichters naar voren willen komen.

1.4. Nu is de tijd om de waarschijnlijk belangrijkste vraag te beantwoorden die te voorschijn komt bij het definiëren van het politieke als onderscheiding tussen vriend en vijand. De hamvraag: waarom hebben wij vijanden nodig? Het antwoord is simpel, misschien verbazend genoeg te simpel. De vredige overgang in de literatuur na het einde van de jaren negentig veranderde het creëren van distincties “vriend – vijand” in een essentiële daad voor het reconstrueren van de productieve spanningen op het literaire veld. De transformaties in het politieke systeem, begonnen door Simeon II hebben hun exacte equivalent in het literaire systeem: de verandering van het radicale politieke potential van het postmodernisme van de jaren ’90 in een gedepolitiseerd carrieristisch academisch-corporatief ressource, geschikt voor vredige koppeling met de lifestyle literatuur met het doel – tot stand komen van commercieel optimale hybriden. Met het terugbrengen van de radicale politisatie in het literaire veld verklaren wij het gedepolitiseerde academisch-corporatieve postmodernisme / neo-avant-garde, de lifestyle literatuur en hun commercieel geoptimiseerde hybriden open voor onze vijanden.

1.5. Omdat wij in het kader van een door elke volgende macht zorgvuldig verzorgde cultuur van victimisering leven, weten wij dat de status-quo van de vredige overgang in de literatuur, die wij als onze vijand verklaren, niet zal missen zichzelf als ons offer te verklaren. Dit zal de eerste noch de laatste keer zijn, als de reële en symbolische rijken en machthebbers het masker van het offer zullen voorhouden. De hele cultuur van de vredige overgang, geconstrueerd door de oude socialistische elites, is gebaseerd op het blokkeren van elke vrijheidsuiting door de intimidatie dat er offers zullen zijn. Wij weten dat zij liegen, wanneer ze hun voorrechten beschermen en bang daarvoor zijn, en tegelijkertijd het masker van het offer voorhouden. Wij beweren dat er achter het masker van het offer de status-quo van de vredige overgang in de literatuur schuilt, de groepspromiscuïteit van de lifestyle en het academisme – onze vijand.

2. De nieuwe sociale poëzie, de geboorte waarvan wij hier in dit manifest verklaren, is vooral poëzie van de gerehabiliteerde auteursfiguur – gerehabiliteerd na de lifestyle-academische consumptie van zijn “dood”. De arrogante commodificatie van de conceptie van Roland Barthes is eigenlijk het ondertekenen van haar executiebevel. De commercieel geoptimiseerde hybriden tussen lifestyle literatuur en “hoog” academisch postmodernisme hebben in praktijk het revolutionair-anarchistische potentieel van de idee van “de dood van de auteur” vermoord en begraven. In deze situatie verkalren wij de wederopstanding van de auteur als de laatste garantstelling voor de mogelijkheid voor ethische acties dus vrijheid. Wij hebben de film gezien, waarin het theoretisch schrappen van de auteur uit het literaire veld een alibi was voor zijn positionering in feloranje verkoopskraam van de macht in de vorm van media, jury’s, beurzen, vertalingen en lintjes. Deze auteur is al lang dood en stinkt. Leve de auteur als de laatste garant voor de vrijheid!

2.1. De rehabilitatie van de auteursfiguur als subject dat in een ethische context verantwoordelijk kan worden gehouden, mikt op het hart van de duisternis van het regime van vredige overgang: er is geen waarheid – ergo wij handelen, “werken” aan onze literaire en academische carrière, de academische literaire geschiedenis wordt door onszelf geschreven, waarbij wij literatuur maken en tegelijkertijd het spel meespelen en de strafschoppen fluiten. Terwijl in de jaren 90 de relativering van het waarheidsbegrip in een speelregime was dat de dogmatische “waarheden” van de ideologie van het oude regime ondermijnde, kreeg dit academisch-lifestyle relativisme in het jaar 2010 de reële politieke en economische dimensies van de corporatieve privatisering van maatschappelijk literair ressource. In deze situatie verklaren wij ons voor een literatuur van de waarheid die aanverwant is met ons begrip voor de nieuwe sociale poëzie. De makers van het spel hebben het zelf beëindigd in hun waarheid van de academische apparatsjik en de lifestyle iconen. De nieuwe sociale poëzie als literatuur van de waarheid komt voort uit onze wil de literatuur de vrijheid terug te geven, namelijk haar te bevrijden van apparaats-academische spelen en lifestyle commerciële handel/ amusement tot de dood.

2.2. De poëzie van de jaren 90 in haar topprestaties, verbonden met de namen van Ani Ilkov en Zlatomir Zlatanov, heeft nooit de esthetiek van het sublieme opgegeven als transmissie tussen het literaire en politieke in de omstandigheden van het onvoltooide project van de moderniteit. Het academische postmodernisme dat op deze dichters als zijn leraren rekent, neemt van hen vooral het discoursieve spel en het spel met poststructuralistische jargons, waarbij de machtige esthetiek van het sublieme in de achtergrond blijft en de laatste existentiële troef het politieke is. Symptomatisch is de drift die sterker wordt met de voortgang van de vredige overgang rond het jaar 2010, door de niet ter harte genomen esthetiek van het sublieme naar steeds openere commerciële omarming van de esthetiek van het mooie. Bij de succesvolste hybride tussen academisch postmodernisme en lifestyle literatuur wordt de esthetiek van het mooie tot een commerciële voorwaarde die niet weg te denken is en die reële politieke recepten aanbiedt – “de protesterende mens is mooi” – direct overgenomen in de PR-campagne van het ministerie van Binnenlandse Zaken tegen de protesten in de zomer van het jaar 2014. De nieuwe sociale poëzie kiest krachtig en zonder twijfels voor de esthetiek van het sublieme als middel voor het terugbrengen van het politieke radicalisme in de literatuur en in de maatschappij, gedemoraliseerd door de esthetisering van het politieke in het kader van de commerciële hybridisatie van het academische postmodernisme en de lifestyle literatuur.

2.3. De esthetiek van het sublieme is een wereldlijke voorstander van de theologie in de situatie van sociaal-historische (informatietechnologische, biotechnlogische enz.), zich terugtrekkende transcendentie en fundamentele en niet vatbare voor onderhandelingen in het kader van de westerse vermaatschappelijking differentiatie van de sfeer van waarden. De vrijheid, die wij aan de literatuur willen teruggeven, is niet mogelijk zonder het absolute volharden in de autonomie van het poëtische tegen de ideologieën van de markt, de staat en de wetenschap. Maar deze autonomie is niet genoeg voor het realiseren van de voorwaarden voor mogelijkheden voor de vrijheid die wij zoeken. Zowel de rehabilitatie van de auteursfiguur als ethisch subject, als ook het concept over de literatuur van de waarheid zijn niet mogelijk zonder transcendentale grondslagen. Wij hebben met onze eigen ogen gezien, ouder wordend, waar de speelse suspensie van het subject en de waarheid toe leidt, de laatste grondslag waarvan alleen transcendental kan zijn – direct in van het spel in de academie en de commercie. Zonder ethische (vatbare voor verantwoordelijkhed) subject en waarheid, waarvan de laatste grondslagen transcendental zijn, is er geen sociale rechtvaardigheid. Zonder de kwaadheid van de rechtvaardigheid is er geen poëzie.

 

09.09.2016, Sofia

 

Vertaling in het Nederlands Sonya Dimitrova

 

списание „Нова социална поезия“, бр. 14, ноември, 2018

 

 

Comments

comments

Вашият коментар

Вашият имейл адрес няма да бъде публикуван.

Този сайт използва Akismet за намаляване на спама. Научете как се обработват данните ви за коментари.